Dorsen was vroeger een heel karwei en de ammoniaklucht van de kunstmest soms niet te harden

Naast ons Dorpshuis de ‘Gasterije’ staan twee schuren. De dichtst bij het dorpshuis gelegen schuur, met de stenen steunen of stiepen, was ooit van de Landbouwvereniging. De grotere schuur ernaast was van de  Dorsvereniging. De grond waar de twee schuren op staan, was eertijds eigendom van de boermarke, maar is tegenwoordig – met de schuren – in particulier bezit.

In de schuur van de Dorsvereniging (gebouwd in 1926) stond, als er niet gedorst werd, een dorsmachine, een stropers en, in de oorlog, een stoommachine, aldus Henk Winter die het verhaal over het dorsen heeft geschreven. Na de oorlog kwam er ook een Lanz Bulldog tractor te staan, evenals een kar met aandrijfriemen en buizen voor het afvoeren van het kaf en dommekrachten (een soort krik), rollen draad en blokken hout, waar de dorskast op kwam te staan. Na de Lanz Bulldog werd er een tractor van het type Massey-Harris 55 aangeschaft, die moest je starten op benzine en later kon je overschakelen op petroleum. De dorsmachine was eigendom van de Coöperatieve Dorsvereniging ‘De Volharding’. Deze vereniging was opgericht door de gezamenlijke boeren van Gasteren, Anloo en Schipborg.

Het in elkaar zetten van de dorsmachine was een heel werk. Eerst werd de dorskast op zijn plaats gezet. Dat was een precies werk, aangezien de dorskast, wanneer hij in bedrijf was, waterpas moest staan. Vervolgens kwam de stropers hier achter, zodat het stro vanuit de achterzijde van de dorskast in de opvangbak van de pers viel, de wielen werden vastgezet op houten blokken. Daarna werden de kafpijpen aangebracht en dan kon de trekker er voor.

Werk aan de winkel op de zetstee

Op de zetstee, tegenwoordig het sportveld aan de Gagels, stonden de te dorsen korenmijten of zaadbulten.

Op de zaadbulten stonden twee mensen – de schoters – die ervoor zorgden, dat de bossen rogge of haver op de dorskast kwamen. Vervolgens sneed de bandensnijder de banden door – bij rogge twee banden, bij haver één. Het was daarna de taak van de inspinner om er voor te zorgen, dat de halmen gelijkmatig in de machine kwamen. Later verviel dit werk doordat er een bandensnijder met elevator of hakselaar op de machine werd geplaatst. Aan de voorzijde van de dorskast werd het graan opgevangen in zakken en gewogen door de korenmeter, dat was mijn vader Fok Winter. Een mud rogge woog 70 kg en een mud haver 50 kg. De zakken werden vervolgens op een zogenaamde jakobsladder gezet, zodat ze gemakkelijk op de rug van een boerenarbeider geplaatst konden worden, die de zak vervolgens op een wagen zette.

Op de stropers stond een zogenaamde paardekop die het stro met een op- en neergaande beweging in de perswagen duwde. Aan de stropers werkten drie mensen. De naaldinvoerder zorgde ervoor dat de stropakken of strobalen op de juiste lengte werden gemaakt door de naald (een U-vormig stuk ijzer met uitsparingen aan de zijde waar het draad kon worden doorgevoerd) tussen de pakken te steken. Dit was een secuur werkje: de naald moest worden ingebracht op het moment dat de perswagen in zijn achterste stand stond. Zowel de naaldinvoerder als de dragers van de stropakken zorgden voor het vastbinden van het pakdraad en het afknippen ervan.

Geen kriebel

Zodra de stropakken uit de pers kwamen, nam de pakkendrager deze op zijn rug en zette ze op een hoop. Om te voorkomen dat er stukjes stro in hun kleding terechtkwam, hadden ze een zak in een punt gevormd dat over hun hoofd en rug viel. Na het dorsen werd de rogge en haver op de deel van de boerderij in zakken opgeslagen en werd een gedeelte, wat niet als veevoer nodig was, verkocht aan een graanhandelaar. Het stro van de rogge werd deels verkocht aan de strokartonfabriek, het overige werd gebruikt als strooisel in de stallen en om in de winter de aardappel-kuilen en voederbieten-kuilen mee te bestoppen. Ook een deel van het haverkaf had een bestemming. Het werd gebruikt als vulling van het matras. Elk jaar na het dorsen kwam er nieuw kaf in het matras. Zoals ik mij herinner, sliep ik hier altijd heel lekker op. Na het dorsen werd de stoommachine wel gebruikt voor het stomen van aardappels. Dat moest gebeuren om ze te kunnen gebruiken als voer voor de varkens.      

 

Bericht uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 4 augustus 1923          

 

Het dorsen ging in een bepaalde volgorde en tussen de dorpen werd er jaarlijks gerouleerd. Eerst waren de ‘zomerbulten’ aan de beurt.  Deze bulten stonden op een aparte zetstee. Het betrof zomerrogge. Daar de winterrogge al in oktober gezaaid moest worden, werd met het dorsen van de zomerrogge al in september begonnen. Vervolgens waren de ‘winterbulten’ aan de beurt. Dit betrof rogge en haver van boeren die in de boerderij geen ruimte hadden om de korenschoven op te slaan. Daarna werd het koren gedorst in de boerderijen en schuren.

 In de lantaarnpaal

In de dorsschuur stond ook een wagen met een grote elektromotor, die werd gebruikt als er in een boerderij in het dorp gedorst werd. De stoommachine kon dan niet worden ingezet vanwege brandgevaar. Om die elektromotor te kunnen gebruiken moest men eerst bij de Provinciaal Elektrische Maatschappij Groningen een melding maken, dan kwamen er twee mannen uit Annen, dat waren de heren Siepel en Lampe, die klommen dan in een lantaarnpaal en sloten de elektromotor met een paar klemmen aan. Aan het eind van de oorlog, toen de Duitsers de elektriciteit hadden afgesloten, werd in de dorsschuur met de elektromotor stroom opgewekt voor de huizen in het dorp. Smid Lou Reitsema was naar de technische school geweest en Fokko Winter hielp hem daar bij.

De machinist van de dorsmachine was mijn opa Hendrik van der Kamp. Bij de zomerdag maakte hij de dorsmachine, samen met zijn schoonzoon Fokko Winter, weer gereed voor de herfst. Ze woonden op Gagels 11, in het huis waar nu Marian en Ben Mulder wonen.

 

 

Gasterenaren bij de dorsmachine vooraan: Henk Bouws (met pet) en Jan Martens. Achterste rij (vlnr): Gezienus Hollander, Berend Meijering, Harm Fransens, Hendrik van der Kamp, Fokko Winter en Take Pouwels.

Ammoniaklucht

De schuur van de Landbouwvereniging, gebouwd in 1950, was onder meer bestemd voor het opslaan van losse kunstmest, vandaar de stiepen aan weerszijde van de schuur, schrijft Roelof Bonder. De kunstmest kwam per spoor aan op het toenmalige station Tynaarlo. De losse kunstmest werd daar vanuit de wagon met een grote schep overgeschept op een vrachtauto van het Gasterse transportbedrijf Popken en naar Gasteren vervoerd.

De boeren bestelden de kunstmest bij de Landbouwvereniging. Ze moesten het zelf wel weer in zakken scheppen en afwegen, in het voorjaar kon dat twee keer in de week en stond Roelof Reinders, de grootvader van Harm Reinders, achter de lessenaar de volle zakken te tellen en op te schrijven. Als men een rol prikkeldraad nodig had, kon men dat ook meenemen. Als de deuren van de schuur open gingen, kwam er een ammoniaklucht van de kunstmest naar buiten, daar werd je niet goed van, vooral als het op maandagmorgen was, dan moest men wel even een stap naar achter doen.

De twee schuren zijn verkocht. Eerst rond 1970 aan Lee van Dam die de schuren gebruikte voor de opslag van petjes, sjaals en dergelijke voor zijn TT-merchandising en zijn vrachtwagens tussen en vóór de schuren stalde. In 2004 verkocht Van Dam de schuren aan garagehouder Klaas Enting uit Norg, die er onder meer auto’s en caravans in onderbrengt.

 

Henk Winter (over het dorsen)

Roelof Bonder (over de landbouwvereniging)